Overweging van Dirk van Tellingen op 2 april 2017.         (Ezechiel 37: 1-14 en Johannes 11: 1-44)

Heftige verhalen van botten en beenderen die weer tot leven komen in een visioen van Ezechiël. Het volk Israël is verdeeld en ver van God verwijderd geraakt. Huiveringwekkend: alleen de botten zijn nog over, van wat ooit mensen waren. Zo ver zijn ze van het pad afgedwaald. Ze zitten gevangen in hun eigen wereldje. Het lijkt uitzichtloos. Maar God, geeft ze toch wéér een nieuwe kans. Hij zegt: ik zal jullie graven openbreken en ik zal jullie weer vrij maken. Dan kan je elkaar weer zien, dan kan je weer vóór en met elkaar leven. Ik geef je een nieuwe huid en nieuwe spieren, en als laatste, het meest belangrijke: ik geef je nieuwe levensadem. Want zonder die levensadem ben je nog niets.Dat heb ik zelf een paar keer gemerkt, toen ik opgeroepen werd om mee te helpen bij een reanimatie. Die adem is het eerst noodzakelijke om te leven.Maar levensadem is toch nog iets meer, dan alleen maar adem!

Net als in Genesis gebeurt dit tot leven wekken, in 2 fasen: God maakte eerst de mens uit stof en aarde, en daarna blies hij hem de levensadem in, zo werd de mens een levend wezen.

Het verhaal uit Johannes heeft een sterk symbolische betekenis, we hoeven dit niet te zien als een historisch verhaal. Johannes roept ons op te geloven in Jezus. En dat geloven houdt dan in, dat je zou willen leven, zoals hij geleefd heeft. Johannes maakt duidelijk, je kan niet echt leven, als je niet leeft zoals hij heeft voorgedaan. Dus niet  in een wereld van ikke, ikke, ikke, maar van wij, wij, wij. Jezus roept Lazarus op uit z’n graf te komen, maar eerst hebben anderen geholpen de zware steen weg te halen, die zijn weg verspert. De omstanders zijn onmisbaar in het proces, maar het is Lazarus zelf, die de stap moet zetten om er op eigen kracht uit te komen. Jezus geeft hem z’n levensadem terug.

Dit verhaal roept ons op om de stenen, die ons vast houden, die ons beperken, weg te halen of weg te laten halen, opdat we de anderen om ons heen weer beter gaan zien. Stenen die ons beperken om te leven op een menselijke manier. Je ogen gaan weer open. Je zet een nieuwe stap op de weg zoals die bedoeld is. De weg van de samen-leving. Samen  leven. Niet alles relateren aan geld en bezit, maar aan je medemens. Te veel mensen hebben geen leven. Ze leven in angst of armoede; ze krijgen weinig levenskansen.

In het klein kan je al proberen die mensen de hand te reiken. Door bv, niet mee te doen in het oordelen en veroordelen van andere mensen, maar je eerst eens te verdiepen in het hoe en waarom. Waarom hebben mensen een nadere mening, waarom andere normen en waarden. Contact leggen met je hart, is zo hard nodig in deze tijd. Niet tevreden zijn met schijnoplossingen, zoals het sluiten van de Europese grenzen voor vluchtelingen en dan zeggen dat het probleem is opgelost. Ja, er komen hier bijna geen vluchtelingen meer in het land, maar die zitten met 10 duizenden in mensonterende omstandigheden in kampen, net buiten onze Europese grenzen.

Als welzijn weer belangrijker zou zijn dan welvaart, dan zou de volgende liedregel uit kunnen komen. We zingen ‘m hier vaak: Voor mensen die naamloos, kwetsbaar en weerloos door het leven gaan, ontwaakt hier nieuw leven, wordt kracht gegeven: ZIJ krijgen een naam.

Vorige week riep André ons op, om te benoemen wat ons doel is en wat onze idealen zijn, waar staan we voor en waar komen we voor uit. Is dat een beetje gelukt? Wat ben je tegen gekomen? Met de verhalen van vandaag kunnen we op zoek gaan naar de mogelijke stenen, die in de weg staan om onze idealen te verwezenlijken.

Die inspiratie en levensadem kunnen we ook gebruiken als we volgende week, via Palmzondag en de lijdensweek, naar Pasen gaan. Naar die heel speciale opstanding, van Jezus.

 

Overweging 3 september 2017 door Margit van Tuijl

Overweging bij Matteüs 17:14-20 en ‘Het verhaal van het klooster en de Messias’ uit: ‘Het licht en de korenmaat’ van Hans Wopereis.
“Als jullie het geloof hebben als een mosterdzaadje, zal niets voor jullie onmogelijk zijn.”

Gemeente van Christus,

‘Hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet ik jullie nog verdragen?’. Jezus is boos, of in elk geval geërgerd, gefrustreerd. Een kant die we niet vaak van hem te zien krijgen, maar in dit geval wel. Gelukkig misschien maar, dat Jezus zich ook af en toe van de menselijke kant laat zien. Tegelijkertijd zul je het als leerling maar over je heen krijgen…

En waarom is Jezus zo boos? Had hij dan echt verwacht dan zijn leerlingen net zo gemakkelijk iemand zouden genezen als hij? Ziet hij niet in dat zoiets voor gewone stervelingen niet zomaar is weggelegd? Jezus heeft net de verheerlijking op de berg meegemaakt. Samen met Mozes en Elia heeft hij in een stralende wolk gestaan, een goddelijke ervaring. Al dalend van de berg wordt de stemming donkerder en spreekt hij met de leerlingen over het lijden dat de Mensenzoon te wachten staat. Na het licht van de berg wordt Jezus geconfronteerd met het onbegrip van de mensen en vervolgens blijken ook zijn eigen leerlingen niet in staat te zijn in zijn lijn te werken… Een frustrerende confrontatie met de werkelijkheid.

Ondanks de boosheid van Jezus hebben de leerlingen wèl de moed om na afloop deze vraag te stellen: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’ Een spannende vraag. Hoe komt het dat het de leerlingen niet is gelukt de zoon, die maanziek is, te genezen? ‘Vanwege jullie gebrek aan geloof’, is het antwoord van Jezus, waarbij het goed is je te realiseren dat ‘geloof’ ook met ‘vertrouwen’ vertaald kan worden. Blijkbaar hebben de leerlingen te weinig vertrouwen. Hebben zij te weinig vertrouwen in zichzelf? Of hebben zij te weinig vertrouwen in de goddelijke energie, die genezing brengt? Zitten zij met hun ego het proces teveel in de weg door teveel gericht te zijn op succes of juist teveel aan zichzelf te twijfelen? Naar mijn idee vraagt het om veel talent, een intense verbondenheid met God en jarenlange oefening om een genezing als deze te bewerkstelligen.

Toch houdt Jezus het klein: ‘Als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje (…), zal niets voor jullie onmogelijk zijn.’ Als het om vertrouwen gaat, is een klein zaadje al genoeg. Want het kleinste zaad, zo zegt Jezus elders, zal uitgroeien tot de grootste plant en de vogels van de hemel zullen komen en schuilen in de takken. Het kleine zaadje beschikt over een immense groeikracht en uit het kiempje groeit iets wat je je nu nog niet voor mogelijk kunt houden.

‘Als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zullen jullie tegen die berg zeggen: “Verplaats je van hier naar daar!” en dan zal hij zich verplaatsen.’ Nog zo’n onmogelijke uitspraak. Het genezen van de maanzieke bleek al onmogelijk, maar dit is nog veel onmogelijker. Toch hoorde ik het verhaal van een collega die ging wandelen in de Dolemieten. Daar is een berg, de Latemar, waar zeventig jaar geleden een heel stuk van naar beneden gevallen is. De oudste bewoners wisten het zich nog te herinneren. Gelukkig is er toentertijd niemand bij omgekomen en vandaag de dag is het favoriet onder wandelaars om tussen de stenen door te lopen. Tijdens een wandeling op dezelfde berg zag deze collega een andere piek. In deze grote rots zaten verschillende kloven, ontstaan door de wortels van de bomen die op de rots groeien. Wellicht dat ook deze rots op een dag zal splijten en naar beneden zal komen. Wanneer? Binnenkort? Over vijftig jaar? Wie zal het zeggen. Mooi is het om je te realiseren dat ook de bomen op deze rots zijn begonnen te groeien uit één zaadje. Zaadjes hebben groeikracht en uiteindelijk de kracht om bergen te verplaatsen.

Dit doet mij denken aan andere bergen, die onverwoestbaar leken en toch in stukken uitéén zijn gevallen. Zoals bijvoorbeeld het Derde Rijk, het vernietigende systeem van het nationaal-socialisme. Wie had aan het begin van WO II kunnen denken dat dit zo machtig ogende rijk van stampende laarzen uit elkaar zou vallen? Toch hebben kleine zaadjes van verzet, die zijn uitgegroeid tot een sterke tegenkracht, het rijk doen splijten.

Hoe werkt dit vandaag de dag? Welke bergen maken vandaag de dienst uit? Welke zou je graag zien splijten? Ik denk hierbij aan de macht van het grote geld en het eigenbelang. De macht die onze wereld uit evenwicht trekt. Die rijken rijker maakt, armen armer en die maakt dat de aarde uitgeput raakt en opwarmt. Hoeveel zaadjes zijn er nodig om dit systeem te breken? Om nieuw evenwicht te laten ontstaan, de balans te herstellen? En zijn we nog op tijd?

‘Als jullie het geloof hebben als een mosterdzaadje, zal niets voor jullie onmogelijk zijn’. Steeds weer brengt Jezus onze blik terug naar het kleine. Juist in de kleine kansen, de kleine ontmoetingen, de kleine kiertjes, daar begint het koninkrijk van God. Laten we dan ook onze blik richten op een kleinere cirkel, die behapbaarder is, zoals de kleine kring hier van mensen in de Kapel. Soms vergeet je wat er uit een kleine kring van mensen geboren kan worden. Maar denk dan bijvoorbeeld eens aan de Fakkeloptocht, die vanuit de ESK is ontstaan. Hoe het begon met een kleine optocht van fakkels en inmiddels is uitgegroeid tot een zee van licht door Eindhoven, die de Kapel verreweg overstijgt. Het begon met een zaadje, een idee. Of denk aan de Vredesbezinning die nu alweer een aantal jaren op rij met steeds meer verschillende levensbeschouwingen wordt gehouden. Dit jaar maar liefst 8! De Kapel is hier vanaf het begin af aan bij betrokken geweest. Een ander mooi zaadje dat ik zie groeien is de samenwerking met het Jongerenhuis. Waar het contact begon met een dun lijntje tussen het Jongerenhuis en TINT, zijn er nu alweer meerdere vieringen in het Jongerenhuis gehouden en ontstaan er steeds meer contacten. En wie weet wat er groeit uit de samenwerking met de Johannesgemeente?

Het verrassende dat kan groeien uit het kleine proef ik ook terug in het verhaal over het klooster en de Messias. De verandering begint met één opmerking: ‘…wat ik wel weet is dat de Messias onder jullie is’. Een mooie opmerking, die geldt voor dat klooster, maar waarschijnlijk niet voor ons hier in de Kapel… Of toch? Is de Messias ook onder ons? Nee, dat kan toch niet, in wie zou hij dan schuilgaan? Of… laat me nadenken… misschien dat de Messias in Marie-Astrid huist, want dat hoor je als ze muziek maakt. Of… nee, misschien huist ‘ie in Rob, die in de Kapel al zoveel zaden heeft doen groeien en nu weer. Of… nee, ik denk, dat ‘ie in Piet zit, vanwege zijn niet aflatende trouw waarmee hij steeds weer de liturgieën klaarlegt. Of… wie weet zit hij wel in ieder van ons en ontdekken we hem op een dag ook in ons zelf.

‘Als jullie het geloof hebben als een mosterdzaadje, zal niets voor jullie onmogelijk zijn’. De rabbi en Jezus leren ons het kleine te zien in het alledaagse, in en om ons heen. Het kleine dat verrast, het kleine dat openbreekt, het kleine dat groeit en sterk maakt. Het is in een vraag, een idee, een opmerking, dat de verandering begint. Zal de verandering sterk genoeg zijn? Zal het snel genoeg gaan? We zullen het zien. Het begint met een klein zaadje van vertrouwen.

Amen

 

 

 

 

Overweging 27 november 2016 door Alice Cottaar

Her-inneren

Ik verzeker jullie, deze generatie gaat niet voorbij voordat dit allemaal gebeurd is. Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden gaan niet voorbij.

 

Woorden van soortgelijke strekking vind je op allerlei plekken terug in de bijbel. Het woord, het zijnde, het leven zal geschieden; het zal geschieden déze generatie nog. En dan vraag je je af: generaties lang lezen we deze woorden en waar is dat woord dan geschied? Waar is dat Rijk Gods? Waar hebben we ooit die zomer echt ervaren? Deze vragen daar draait het volgens mij om. Niet de vraag hoe we het Rijk Gods in de komende generatie of misschien in de generatie daarna gestalte kunnen geven (en steeds weer verzuchten dat de komende generatie het maar niet van ons over wil nemen; en mopperen over die jeugd van tegenwoordig). Nee, misschien moeten we de toekomst aan de mensen in de toekomst laten (inclusief die mensen die wij dan in die toekomst zijn, anderen dan die we nu zijn) L.aten we eens kijken wat er hier in onze generatie, in onze tijd, in onze ervaringen is ontsproten. Welke woorden er aan ons in de Kapel zijn geschied, die ons in de Kapel hebben geïnspireerd tot een leven naar het woord; een leven aan hemel en aarde voorbij. Wie heeft ons werkelijk wakker geschud? (Wim misschien?). Waar hebben we de vijgenboom tot bloei gebracht? (in die doopdienst van André, Martin of Margit misschien?) Wat heeft je tot actie aangezet? (de Bijbel naast de krant? Of was het de krant naast de Bijbel?)

 

Want het is gebeurd. Het is gebeurd in onze generatie, in onze Kapel. Het is gebeurd. En dat gebeuren willen wij ons nu her-inneren, ons hier te binnen brengen in het hier en nu. Niet om dat gebeurde vast te grijpen en mee te nemen naar de toekomst – het is niet te grijpen en zelfs niet te begrijpen. Niet om te treuren om wat geweest is – het is niet aan ons voorbij gegaan; het is en zal zijn. Maar om het woord, het zijnde, het Rijk Gods wat ís, te vieren. Om het te vieren en ons erin te gronden zodat we dat wat op ons toekomt met liefde kunnen omarmen. Zonder angst. Zonder schuldgevoel of verwijt. In werkelijke liefde die altijd kwetsbare liefde is en die toch niet bang is om gekwetst te worden. Echte liefde die in elke generatie, in elk moment weer kan opbloeien op manieren die we alleen maar kunnen zien als we ons maar blijven oefenen in dat zien. Het zien van dat waar we als mens eigenlijk blind voor zijn. Het zien van die ander die bij ons binnen is gebroken. Ja die ander in ons, in onze Kapel, in onze ervaringen, in ons leven. Kunnen wij die ander werkelijk her-inneren? Kunnen we die werkelijk bij ons binnen laten?

 

Laat ons elkaar grond geven; laat ons elkaar onze kwetsbare liefde geven; laat ons het woord her-inneren.

 

Overweging 5 februari 2017 door Alice Cottaar

We moeten getuigen, we moeten ons licht laten schijnen en onze zoute smaak behouden. De vraag waar het deze dienst om gaat – hebben we keus? – is daarmee beantwoord. Toch? We weten wat we moeten doen. Of misschien toch niet? De vraag is beantwoord, maar hoe moeten we dit antwoord begrijpen? Wat moeten we ermee? Wat is onze rol als getuige, als zout der aarde, als licht? We moeten iets doen, okay, maar wat? Want zomaar doen, als de zwijnen die met zijn allen het ravijn in gaan duiken, zoals op de voorkant van de liturgie, dat is toch ook de bedoeling niet.

 

Gij zijt het zout der aarde. Anke vroeg zich af: Hoe kan zout ooit haar smaak verliezen? Zout is toch niets anders dan smaak? Zo zou je je ook af kunnen vragen, hoe je ooit een lamp (een vuurtje) kan verbergen onder een korenmaat? Dat kan gewoon niet. Alles staat binnen de kortste keren in lichte laaie. Je kunt niet zijn, je kunt niet leven zonder licht te zijn of zout te zijn. En als zout zal je deel zijn van de smaak van deze wereld en als licht maak je de dingen om je heen zichtbaar. Je kunt niet anders. Hier heb je geen keus. Zout is op zich niet lekker of vies, maar zout haalt de smaak van elk gerecht, of het nu zoet of hartig is, op. Licht heeft op zich geen uitgesproken kleur, maar zonder licht is alles kleurloos. De smaak en de kleur van het leven (of het nu mooi/lekker of lelijk/vies is) zijn pas te ervaren met zout of met licht.

 

Het is allemaal zoals het is – zei ‘Hij die is’ – dat is waar en dat is dat. Daar hoef je toch niet over te getuigen? We rennen door, in de kudde naar dat ravijn… ach, dat zien we dan wel weer.

 

Nee, het gaat niet om het licht en het zout. Het gaat niet om ons als individu (al moeten we zijn, daar hebben we geen keus). Het gaat uiteindelijk om de smaak en dat wat er belicht wordt, het gaat om het leven zelf wat ten dele door ons bepaald wordt, maar ten dele ook door al die anderen. Het gaat om dat wat is. Er was nooit meer dan dat, er zal ook nooit meer dan dat zijn. Het is alles en daarmee is het alles wat we hebben.

 

Het is er, maar het hangt van de belichting af wat we zien. Het is er, maar het hangt van het zout af wat we proeven. Het is er, maar het hangt van de getuigenis af wat we leven. En daar ligt onze taak: Kunnen wij met ons licht de wereld in al zijn werkelijkheid tonen, zonder er een eigen projectie van te maken? Kunnen wij met ons zout de smaak van de werkelijkheid doen proeven, zonder er onze eigen smaakstoffen aan toe te voegen? Kunnen wij van de werkelijkheid getuigen zonder onze eigen goden te scheppen? Ik geloof dat dat niet kan. Zoals gezegd, we zijn gewoon wat we zijn en smaken zoals we smaken. Maar we kunnen er wel degelijk voor kiezen om ons zijn, ons leven ten dienste te stellen van het geheel, waar wij zelf een klein deel van zijn. Kiezen voor de gemeenschap (alle volkeren en alle naties samengebracht) in al die individuele levens (inclusief ons eigen leven). Kiezen voor de gemeenschap door werkelijk die ander te zien en te proeven, door werkelijk de wereld van de ander te ervaren zoals die is. Dit betekent niet dat je alles maar moet accepteren zoals het is. Nee, we moeten getuigen van het feit dat we allen (overal in alle naties en volken) geroepen zijn samen tot één gemeenschap te komen, waar alle smaken en kleuren tot hun recht kunnen komen. Hierin hebben we allen met ons hele zijn – als zout en licht – een rol in. We kunnen ons niet aan deze verantwoordelijkheid onttrekken, we kunnen alleen – zo goed en zo kwaad als dat gaat in onze machteloosheid en onwetendheid – doen wat moet gedaan.

 

Ik wil getuigen van een werkelijkheid, die is en zal zijn; die zijn smaak krijgt van het zout en die zijn vorm krijgt van het licht van al die verschillende mensen van alle volkeren en naties op deze aarde.